Graaf van Horn, heer van Weert (1524/25-1568)

Philippe de Montmorency

Philippe de Montmorency, beter bekend als graaf van Horn, was een krijs- en staatsman in de Habsburgse Nederlanden vlak voor het begin van de Tachtigjarige Oorlog. Graaf van Horn was oorspronkelijk legeraanvoerder van het leger van Vlaanderen. Hij werd in 1555 stadhouder (militair gouverneur) van Gelre en in 1556 ridder van het Gulden Vlies. In 1558 volgde hij Maximiliaan II van Bourgondië op als admiraal van de Nederlanden en was de opperbevelhebber van de vloot die koning Filips II van Spanje in 1559 naar Spanje bracht. Hij boekte enkele grote successen en werd als dank daarvoor in 1561 benoemd tot lid van de Raad van State. In de Raad van State vormde hij samen met Willem van Oranje en de graaf van Egmont een Driemandschap de Liqueder Groten die in opstand kwam tegen de Spaanse heerser. Wat resulteerde in zijn executie, samen met graaf van Egmont, op 5 juni 1568.

Met speciale dank aan:
  • Gemeente Archief Weert

Jeugd Philippe de Montmorency

Philippe werd waarschijnlijk geboren in 1524 of 1525 op kasteel Ooidonk (Deinze), het stamslot van de Vlaamse tak van de oorspronkelijk Franse familie Montmorency. Vader: Joseph van Montmorency. Moeder: Anna van Egmond. Zij was de zuster van Maximiliaan van Egmond, die de vader was van Anna van Egmond-van Buren, eerste vrouw van Willem van Oranje. Philippe was dus een aangetrouwde neef van Willem van Oranje.

Vader Joseph klimt snel op in de hofhouding van keizer Karel V. Hij sterft in 1529 in Bologna als hij daar aanwezig is voor de keizerskroning van Karel V en wordt in de San Petroniokathedraal aldaar begraven. Zijn hart is opgestuurd naar zijn weduwe Anna van Egmond.

Joseph en Anna krijgen vier kinderen: Philippe, Floris, Eleonore, en Maria.

Na de dood van Jacob III van Horne in 1531(kinderloos), gaat het graafschap naar zijn broer Jan van Horne. Deze krijgt daarvoor dispensatie om uit de klerikale stand te stappen. Hij was namelijk proost van het St. Lambertuskapittel en beoogd opvolger van de Prinsbisschop van Luik. Hij huwt in 1533 te Weert met weduwe Anna van Egmond, die reeds vier kinderen heeft uit haar huwelijk met Joseph van Montmorency. Uit het nieuwe huwelijk ontstaan echter geen kinderen meer. De rechtstreekse lijn van het huis Horne loopt dood. Jan van Horn wijst daarom zijn stiefzoon Philippe aan als universeel erfgenaam van alle Hornse goederen.

In 1540 wordt het contractuele huwelijk gesloten tussen Philippe en Walburgis van de Nieuwenaer. Beide dan nog tieners. Aangezien Meurs pandhouder is van het graafschap Horn, komen door deze slimme zet pand en land uiteindelijk weer een één hand terecht. Jan van Horn overlijdt  in 1540 en wordt begraven in de Minderbroederkerk te Weert. Hij laat geld na voor het maken van twee grafstenen: een voor zijn eigen graf en de andere voor zijn broer Jacob III, die samen met zijn twee eerste vrouwen in de St. Martinuskerk ligt begraven.

Carière in Spanje

Bekijk gerelateerde personages

De weduwe Anna van Egmond bestiert vervolgens het graafschap, tot Philippe de Montmorency de graaf van Horn en heer van Weert deze taak overneemt. Dat gebeurt al in 1541, als Philippe nog pas 17 jaar oud is. Zijn moeder Anna spreekt haar familierelaties aan om Philippe een goede opvoeding te geven en een glansrijke carrière te bieden. Zo wordt Philippe page aan het keizerlijk hof te Brussel. Hij reist met keizer Karel V mee met zijn hof door de Nederlanden en komt  op 3 september 1543 in Horn en op 14 september in Weert aan. Daar logeert het keizerlijke hof bij de weduwe Anna in het kasteel aan de Biest. Het moet voor Weert een bijzondere belevenis zijn geweest.

In 1546 wordt Philippe kamerheer van de keizer en huwt hij officieel met Walburgis. Uit dit huwelijk wordt een zoon, ook Philippe geheten, geboren. Deze sterft echter al op jonge leeftijd. Philippe krijgt dan het bevel over 500 ruiters en begint zijn militaire vorming. Bevelhebber van het leger is zijn oom, Maximiliaan van Egmond. Ter gelegenheid van zijn afscheid van Weert gebruikt hij samen met de magistraat van Weert een maaltijd in herberg In de Croon, in de Molenstraat. Hij vecht in Duitsland in de zogenaamde Schmalkaldische oorlog. In 1547 is hij weer terug in Weert. Zo neemt hij deel aan het algemene koningsschieten van de drie Weerter schuttersgilden op Pinksterdag 1548, de feestdag van de kerkwijding van de Martinuskerk. Omdat Philippe de vogel afschiet wordt hij voor dat jaar de algemene schutterskoning van Weert!

In 1549 reist de Spaanse kroonprins Philips met zijn gevolg door de Nederlanden. Hij doet dan ook Weert aan. Tijdens dat bezoek benoemt prins Philips graaf Philippe tot kapitein van zijn persoonlijke lijfgarde. Philippe reist vervolgens mee met het prinselijk gezelschap door de Nederlanden, Duitsland en Italië en komt uiteindelijk aan in Spanje. De keizer stuurt hem in 1554 als ambassadeur naar Engeland om te onderhandelen over het huwelijk van de Spaanse kroonprins met Maria Tudor. Als prins Philips naar Engeland vaart reist graaf Philippe mee. Uiteraard is hij ook aanwezig bij het huwelijk in Winchester op 25 juli 1554. In 1555 benoemt Keizer Karel V graaf Philippe tot stadhouder van Gelre. Dit is een vooraanstaande functie met, niet onbelangrijk, een vast salaris. In datzelfde jaar doet Karel V te Brussel afstand van de troon ten gunste van zijn oudste zoon Philips. Bij die plechtige gebeurtenis is onze Philippe aanwezig. Philippe functioneert als stadhouder van Gelre zelf niet goed. Hij was meer in Weert dan in Gelderland en voldeed niet aan zijn verplichtingen vond men. Dat had echter te maken met allerhande taken die Philippe voor koning Filips II moest doen.

De nieuwe koning Filips II deed alles om het graaf Philippe naar de zin te maken: op het kapittel van het gulden Vlies te Antwerpen op 27-28 januari 1556 werden hij – en Willem van Oranje – benoemd tot Vliesridders. Philippe werd kamerheer van de koning en kapitein van een ordonantiebende. Als zodanig vocht hij met Lamoraal van Egmond en Willem van Oranje tegen de Fransen. In 1558 is hij in Weert, waar Willem van Oranje ziek te bed ligt in het Weerter kasteel. Omdat de Spaanse koning slecht van betalen is, krijgt Philippe steeds weer en steeds meer financiële problemen. Hij is niet een van de rijkste onder de hoge adel en de oorlogsvoering kost klauwen met geld. Het einde van de oorlog in 1559 komt hem dan ook goed uit.
Koning Filips II van Spanje is in deze tijd druk bezig het bestuur van zijn landen te reorganiseren. In 1559 geeft hij de Nederlanden in handen van landvoogdes Margaretha van Parma en vertrekt voorgoed naar Spanje. Philippe de Montmorency verliest zijn stadhouderschap. Hij wordt benoemd tot admiraal-generaal van de vloot in de Nederlanden en in 1560 tot lid van de Spaanse raad van Staten, het directe adviescollege van de koning. Het is dus de bedoeling dat hij naar Spanje komt en de vaste adviseur wordt van de vorst voor Nederlandse zaken. Graaf Philippe trekt er niet zo aan: het hofleven is schreeuwend duur en zoals reeds gezegd de koning slecht van betalen. Door zijn carrière aan het hof spreekt Philippe goed Spaans en kan dus rechtsreeks met de koning, die geen andere talen spreekt dan Spaans, communiceren. Dat maakt hem een belangrijke figuur in de communicatielijn tussen Spanje en de Nederlanden, waar in de hoge kringen Frans wordt gesproken. Helaas voor de graaf vraagt de koning hem nauwelijks om advies. Hij voelt zich nutteloos en is ontevreden met zijn rol. Bovendien raakt zijn geld op…. De vaste inkomsten zijn namelijk zeer beperkt na het verlies van het stadhouderschap van Gelre.
Philippe blijft tot 1561 in Spanje. Dan wordt hij benoemd tot lid van de Raad van State in Brussel. Deze raad adviseert de landvoogdes in de Nederlanden. De reis vanuit Spanje naar Brussel wordt betaald door verkoop van enkele heerlijkheden! Met kerst van het jaar 1561 is hij in Weert en regelt daar financiële zaken. Hij leent in mei 1562 10.000 gulden van de stad Weert, maar geeft ook een groot feest ter gelegenheid van het huwelijk van zijn zus Maria met Pieter van Mansveld. Zo wordt onder andere een groot middeleeuws steekspel georganiseerd. In 1563 verleende Philippe aan de stad Weert het privilege tot houden van 3 paardenmarkten jaarlijks. Een traditie die tot op de dag van vandaag in ere wordt gehouden.

Het protest van de edelen tegen de koning

De invloed van de raad van State, waarvan alle hoge edelen uit de Nederlanden lid waren, op de landvoogdes en indirect op koning Filips II werd vanaf 1559 steeds verder ingeperkt ten gunste van juridische adviseurs zoals Viglius van Ayta en kardinaal Granvelle. De edelen voelen zich aan de kant gezet en aangetast in hun positie. In 1561 sturen Willem van Oranje en Lamoraal van Egmont een brief aan koning Filips II waarin zij klagen over de invloed van Granvelle en dreigen met een boycot van de raad. Toen graaf Philippe later dat jaar lid werd van de raad sloot hij zich bij deze edelen aan. In 1563 ondertekende hij mede een volgende protestbrief.  Zo was hij gekant tegen het instellen van nieuwe bisdommen, waarvan alleen theologisch gestudeerden en gepromoveerden benoembaar werden. Daarmee verviel voor de hoge adel een rijke buit aan goed betaalde functies!

De groep protesterende edelen groeide van 3 tot 9, de zogenaamde Liga der groten, bijna allemaal familie van elkaar. Zij schreven regelmatig protestbrieven aan de koning en vergaderden onderling, onder andere in Eindhoven en Weert, dat zo in Spanje bekend werd als broeinest van de opstandige edelen. In 1564 werd Granvelle teruggeroepen en ging Egmont naar Spanje voor overleg met de koning. Hij werd daar hartelijk ontvangen en het overleg leek een groot succes. Maar na terugkomst bleken de toezeggingen van Filips II niets waard te zijn. Vanuit kerkelijke zijde werden brieven naar Spanje gestuurd, waarin werd geklaagd over de edelen die de protestanten steunden. Onder andere over Philippe de Montmorency wiens moeder en vrouw protestantse sympathieën hadden. Koning Filips ging zich steeds meer zorgen maken over deze opstandige edelen. Al in 1563 werd er in Spanje besloten door de koning en de hertog van Alva, een der invloedrijkste edelen aan het Spaanse hof, dat de opstandige edelen moesten sterven. Er werd een strategie van stroopsmeren en aan het lijntje houden bedacht, om op het beslissende moment dodelijk te kunnen toeslaan.

In april 1566 boden de lagere edelen aan landvoogdes Margaretha van Parma een smeekschrift aan om minder streng op te treden tegen de protestanten. Margaretha luisterde en versoepelde de plakkaten. Het had echter geen effect: de Beeldenstorm brak uit en ging als een wervelwind door de Nederlanden. Onder andere werd ook Weert getroffen. Margareta van Parma probeerde het gezag te herstellen en stuurde haar drie voornaamste edelen naar opstandige gebieden, om daar de rust terug te brengen. Zo ging Philippe de Montmorency naar Doornik, waar hij door middel van diplomatie de zaken wist te sussen. Dat was echter tegen de zin van koning Filips, die eiste dat er streng tegen protestanten werd opgetreden. Hij haalde Philippe daarom van zijn post. Teleurgesteld en berooid keerde de graaf naar Brussel terug.

Toen hij later dat jaar weer in Weert aankwam en zag wat de Beeldenstorm daar had aangericht, probeerde hij een en ander weer recht te zetten. Hij liet nieuwe altaren plaatsen in de kloosterkerk van de minderbroeders en daar met kerst weer een mis lezen. Ook schreef hij vanuit Weert een verweerschrift aan de koning waarin hij zijn handelswijze in Doornik verdedigde. En hij klaagde maar weer eens over de niet ontvangen betalingen van de koning…… Feitelijk trekt hij zich in Weert zwaar teleurgesteld terug uit de verwikkelingen rond hof en politiek.

Koning Filips slaat terug

Het antwoord van koning Filips op dit alles was niet mis te verstaan: op 1 december 1566 kreeg de hertog van Alva bevel met een troepenmacht op te rukken naar de Nederlanden en daar de opstandelingen te straffen. Ondertussen werden de edelen gedwongen de eed van trouw aan de koning af te leggen bij de landvoogdes. Willem van Oranje weigerde en vluchtte naar Duitsland, maar Egmont en later ook Horne gaven toe. Toen Alva aankwam probeerde hij met succes – zoals afgesproken- de hoge edelen aan zich te binden. Hij deed allerhande mooie (en loze) beloften en nodigde de edelen uit naar Brussel te komen voor overleg. Graaf Philippe zat weer eens op zwart zaad: hij moest de kasteelhoeve verpanden om de reis naar Brussel en een geschenk voor Alva (een paard) te kunnen betalen. Tijdens een diner op 9 september 1567 klapte de val dicht. Egmont en Horne en hun secretarissen werden gevangengenomen en overgebracht naar de gevangenis in het kasteel te Gent. De landvoogdes was het met dit alles niet eens en diende haar ontslag in bij haar broer, koning Filips. Toen bleek alles al voorgekookt te zijn: Alva had de benoeming tot landvoogd al op zak en nam de Nederlanden over. Nu was het gedaan met zachte oplossingen. Met harde hand en met behulp van vonnissen van de Raad van Beroerten werden de vele opstandelingen, edelen zowel als gewone burgers opgepakt en velen ter dood gebracht.

Egmont en Horne werden eveneens berecht door de Raad van Beroerten en ondanks diverse pogingen van invloedrijke edelen kregen de twee edelen geen gratie. Er is zelfs een smeekschrift aan de Duitse keizer Maximiliaan II gericht. De beschuldiging van Majesteitsschennis werd door Filips II hoog opgenomen.  Het proces duurde 9 maanden en kende felle verhoren, eenzame opsluiting zonder inzicht in stukken en geen rechtskundige bijstand. Tegen de graven werd een beschuldiging bestaande uit 63 punten naar voren gebracht. Ze kregen vijf dagen om een verdediging te schrijven, die uiteraard terzijde werd geschoven. Toen op 23 mei 1568 de legers van Lodewijk en Adolf van Nassau succesvol waren in de slag bij Heiligerlee (het officiële begin van de 80-jarige oorlog), was voor Alva de maat vol. Op 3 juni werden de beide vrienden overgebracht naar Brussel en kregen op 4 juni het doodvonnis te horen, dat de dag daarna al zou worden voltrokken. Philippe liet zijn testament opstellen en biechtte.

In zijn testament verontschuldigd Filips zich aan zijn onderdanen, dat hij hen zo met schattingen had geplaagd. Ook aan zijn vrouw biedt hij zijn verontschuldigingen aan, omdat hij zo vaak afwezig is geweest. Zijn broer Floris van Montigny benoemde hij tot universeel erfgenaam. Het was hem echter onbekend dat deze in Spanje gevangen zat. Floris, formeel de echte laatste graaf van Horne, is daar in 1570 -in het geheim- geëxecuteerd. Graaf Philippe legateert aalmoezen voor de armen van Brussel en van Weert en laat geld na om missen te lezen voor zijn zielenheil, door de minderbroeders te Brussel en Weert. Ook twee andere ordes krijgen geldbedragen.

De volgende dag werd om 11 uur graaf Egmont onthoofd. Graaf Philippe volgde om 12 uur. Hij knielde op een kussen, trok zijn muts over zijn ogen en terwijl hij nog een kort schietgebed uitsprak, kwam de beul van onder het schavot vandaan en hieuw met één slag zijn hoofd af. De hoofden werden op staken gestoken om drie uur lang tentoongesteld te worden. Daarna werden de lichamen en de hoofden in loden kisten gelegd en vervoerd naar het minderbroederklooster, waar ze gebalsemd zouden worden. Daarbij werden de harten verwijderd en in aparte metalen bussen gedaan. Deze zouden later worden overhandigd aan de twee weduwen. De loden kisten werden vervolgens dicht gesoldeerd. Er werd s ’avonds een rouwdienst gehouden in de St. Goedelekerk en daarna gingen de kisten naar de Clarissen (Egmond) en predikheren (Philippe). Op 6 juni wordt de kist van Philippe naar het kasteel Braine (15 km ten zuiden van Brussel) van Martin van Horne-Houtkerque gebracht en bleef daar tot de begrafenis geregeld kon worden. Lamoraal wordt bijgezet in de door hem gebouwde crypte in de kerk van Zottegem. Waar Philippe is begraven is niet helemaal zeker. De kroniek van Maria Luyten verhaalt hoe het lichaam op 23 juni 1568 op het kasteel in Weert aankomt en terstond in de Martinuskerk wordt begraven. Tot op heden werd zijn lichaam, dat gevat moet zijn in een loden kist, echter niet in de kerk teruggevonden. Het graf werd namelijk niet voorzien van een steen en de moeder en vrouw van Philippe vluchtten op 24 juni 1568 naar Keulen. Uit de opgravingen van de graftombe van graaf Jacob III en zijn twee eerste vrouwen in de 19e en 20e eeuw weten we dat daar in ieder geval het hart van Philippe is bijgezet. Dat kan gebeurd zijn in 1568, maar misschien pas in 1600 , toen zijn weduwe, Walburgis van den Nieuwenaer overleed. Aangezien het graf van Philippe als zodanig niet herkenbaar was, heeft men het hart toen maar bijgezet in de wel herkenbare graftombe van Jacob III van Horn.

De rol van graaf Philippe
in het historisch perspectief van de tijd

In 1568 begint een ontwikkeling, die 80 jaar later zal uitmonden in de officiële erkenning van een volstrekt nieuw ministaatje op het wereldtoneel, de Republiek der Verenigde Nederlanden. Heel snel groeit de jonge republiek uit tot een economische en culturele wereldmacht van formaat.

1568 en de onthoofding van de twee edelen, markeert een omslagpunt in de Nederlandse geschiedenis. Egmont en Horne leefden nog in een laat middeleeuwse wereld, waarin de hoge edelen en vliesridders bijzondere privileges genoten. Zij waren militaire bevelvoerders en bestuurders. Maar koning Filips in het verre Spanje had, Samen met zijn entourage een heel ander, nieuw wereldbeeld voor ogen, waarin hij als vorst vanuit een centraal punt de macht uitoefende. De lokale adel werd daarbij ingezet in de regentschapsregering. Ze moesten daarbij wel de voornaamste beleidsdoelen van de koning uitvoeren: religieuze uniformiteit handhaven en de reorganisatie van de bisdommen doorvoeren. Advies van de hoge adel werd gevraagd, maar hoefde niet opgevolgd te worden. Daarmee verloren de hoge edelen hun macht en invloed op het bestuur. Zij waren daardoor niet meer onafhankelijk in hun handelen. Hiertegen kwamen zij in opstand en het is hun tragiek, dat zij de tekenen des tijds niet goed hebben geïnterpreteerd. Zij zagen niet dat de idealen van het laat middeleeuwse riddertijdperk (eer en onverschrokkenheid) in snel tempo werden verdrukt door de nieuwe regels van het absolutisme (machtsconcentratie, efficiëntie denken en arglistigheid). Daarbij keken de edelen graag naar het Heilige Roomse Rijk, waarmee zij met name door invloedrijke huwelijken een nauwe band hadden.

Tragisch daarbij is, dat hun dood als martelaren van een bepaalde bestuurscultuur tevergeefs is geweest. De ontwikkeling die zij met hun protest in gang hebben gezet leidde uiteindelijk tot een staatsvorm, waarin de edelen het niet meer voor het zeggen hadden, maar stadsmagistraten en provinciale Staten. Gewone burgers dus. Het leidde in 1581 tot de Acte van Verlatinghe waarin de noordelijke provincies zich afscheiden van hun koning en zelfbestuur aannamen. Dit was een resultaat dat de graven van Egmont en Horne en zelfs Willem van Oranje nooit hadden bedoeld. Zij hadden voor ogen dat alle 17 Nederlandse provincies bijeen en onder Spaans bestuur zouden blijven. Weliswaar met een prominente rol in het bestuur voor de lokale hoge edelen. Zijzelf dus. Binnen 20 jaar na hun dood, waren de Nederlanden echter gescheiden, was het machtscentrum verplaats van het zuiden naar het noorden, van edelen naar burgers en was het land van een onderdeel van een groot koninkrijk veranderd in een kleine republiek, met een andere staatsreligie.

Pas in de 19e eeuw krijgen de beide edelen weer een nieuwe rol. Lamoraal van Egmont, en in zijn kielzog Philippe de Montmorency, worden in België omarmt als nationale helden. De voorvechters van zelfstandigheid en afscheiding van een tirannieke macht (Spanje), worden geprojecteerd op de onafhankelijkheidsstrijd van de Belgen tegen de Tirannieke Nederlandse vorst Willem I. Niet voor niets krijgen beiden op de plaats van de terechtstelling, de Grote Markt in Brussel in 1864 een groots standbeeld, en wordt de –vermeende- begraafplaats van Philippe de Montmorency in de Weerter Sint Martinuskerk in 1841 bedekt met een prestigieuze grafsteen. Het is deze 19e eeuwse visie, die lang de beeldvorming rond de twee graven zal beïnvloeden. Pas vrij recent wordt er vanuit wetenschappelijk met nieuwe ogen opnieuw gekeken naar hun rol en betekenis in de roerige tijd van verzet en later oorlog tussen Spanje en de (Noordelijke) Nederlanden. Daarbij wordt hun rol, samen met die van Willem van Oranje enerzijds belangrijker, maar anderzijds ook tragischer.