Graaf van Horne (1439-1471)

Graaf Jacob I van Horne

Jacob van Horne werd tussen 1417 en 1425 geboren uit het huwelijk van Willem VII en Johanna van Montigny. De naam Jacob was nieuw bij de Hornes. Waarschijnlijk was de ver­noeming een eerbetoon aan Jacoba van Beieren, die in 1417 het Land van Altena, dat in 1386 aan de Hornes was ontnomen, aan Willem VII had teruggegeven.

Bij zijn aftreden in 1428 had Willem VII Frederik van Meurs aangesteld als voogd voor Jacob. Diens dochter Johanna werd dat jaar al gekoppeld aan de jonge Jacob. Deze groeide op aan het hof in Meurs in het Rijnland, waar ook zijn latere vrouw verbleef. De trouwdatum van Jacob en Johanna van Meurs is niet bekend, maar het huwelijk moet in 1441 of eerder hebben plaatsgevonden, want in dat jaar kende Jacob Weert en Munnikenland als weduwgoed toe aan zijn vrouw Johanna.

Bron:
  • Boek: Kasteel Horn en zijn bewoners

Huwelijk & Kinderen

Door zijn huwelijk kreeg Jacob banden met de belangrijke familie Meurs. Johanna’s moeder, Beatrix van der Marck, was een dochter van Adolf van der Marck, graaf van Kleef. Haar broer was Vincent, graaf van Meurs en Saarwerden, die was gehuwd met Anna van Beieren, dochter van de hertog van Beieren. Haar zuster Walburgis was gehuwd met Willem van Egmond, ridder van het Gulden Vlies.

Het huwelijk werd gezegend met acht kinderen. De pastoor van Horn noteerde hun namen (behalve die van Margaretha) in een missaal dat hem door de graaf was geschonken.

  • Willem, geboren op 23 maart 1448 op het kas­teel van Horn. Hij overleed op vierjarige leeftijd en werd begraven in Montigny.
  • Johanna (die ook wel eens Maria wordt genoemd), geboren op 8 november 1449 op het kasteel van Horn. Zij trouwde met Filips, graaf van Virnenburg en Nieuwenaar, heer van Saffenburg en Sombreffe.
  • Walburgis, geboren op 17 november 1451 op het kasteel van Montigny. Zij trouwde met Cuno, graaf van Manderscheid-Schleiden.
  • Willem, geboren op 26 mei 1453 op het kasteel van Montigny, alwaar hij enkele maanden later overleed.
  • Jacob II, geboren op 3 juli 1455 op het kasteel van Horn.
  • Frederik, heer van Montigny, geboren op 6 maart 1457 op het kasteel van Horn. Hij trouwde met Filippote van Melun en sneuvelde op 30 december 1487.
  • Jan, geboren op 3 juli 1458 op het kasteel van Weert. Hij werd in 1474 kanunnik van de Sint­Lambertuskathedraal te Luik en was van 1482 tot 1505 prins-bisschop van Luik.
  • Margaretha, geboren in 1461 in Woudrichem. Zij werd al vlak na haar geboorte uitgehuwe­lijkt aan Arnoud van Horne-Houtkerke, maar trouwde in 1473 ten slotte met diens vader, Filips van Horne, heer van Gaasbeek, Heeze, Leende en Zesgehuchten. Deze sneuvelde in 1488 in de strijd met de opstandige inwoner van Gent, waarna Margaretha een tweede huwelijk aanging met Jan van Montmorency­Nevele.

Gravin Johanna van Meurs stierf in 1461, kort na de geboorte van haar dochter Margaretha. Op haar sterfbed in het kasteel van Almkerk bij Woudrichem vroeg ze haar echtgenoot om in Weert een minderbroedersklooster te stichten. Jacob gaf nog datzelfde jaar zijn oude verblijf op de Biest in Weert, de Aldenborgh, aan de Minderbroeders om er een klooster te bouwen, echter eerst nadat paus Pius II daarvoor toestemming had verleend. Johanna werd begraven in de kloosterkerk van Sint-Elisabethsdal.

Beleningen

Jacob legde op 10 december 1439 in de leenzaal van het graafschap Loon te Kuringen als leenman van de prins-bisschop van Luik de eed af voor de lenen Horn en Kortessem. In de verheffingsakte werd het leengoed Horn omschreven als ‘dat huys, slote en heerlicheit van Huerne, dorpen, renten, censen, moelens, wyen, vischeryen, rechten ende alle andere zyne toebehoorten zoe wie die gelegen’.

In 1440 beleende Filips van Bourgondië, graaf van Holland, Jacob met het land van Altena. De verheffing van de Gelderse leengoederen vond plaats in 1441 te Goch: ‘Weyrdt mit synen to be hoer, Wessem, de voogdij van Thorn en Beeckt’.

De heer van Horne bevorderde in Weert de textielindustrie en gaf in 1441 toestemming tot het stichten van het klooster Maria-Wijngaard. Jacob verbleef afwisselend in Horn en Weert, maar vaker ook elders, zoals blijkt uit een rentmeestersrekening van 1442. In april werd een in Weert ontvangen brief doorgestuurd naar Woudrichem, waar hij toen kennelijk verbleef. Begin mei was Jacob weer in Weert, want toen werden daar de wagenknechten betaald, die hem en zijn gevolg naar die stad hadden gebracht. In september was hij in Weert of Horn, maar in oktober blijkbaar weer elders, omdat de rentmeester toen een betaling verrichtte ‘van beveels mijns genedighen heren brieve’.

In 1446 gaf heer Jacob aan Weert het ‘privilegie van lantrecht’. Daarin werd een aantal bestaande gewoonten vastgelegd, zoals de periode dat de watermolens in gebruik mochten zijn, het gebruik van gemeenschappelijke gronden, het pootrecht van bomen en de taak van de schout.

Een jaar later had hij onenigheid met zijn zwager Vincent van Meurs, die meende recht te hebben op Born en Sittard, oorspronkelijk een leen van graaf Frederik van Meurs. Deze laatste had een conflict met zijn zoon en gaf daarom twee weken vóór zijn dood het gebied in leen aan Jacob. Na een jaar kreeg Vincent bij een scheidsrechterlijke uitspraak de heerlijkheden toegewezen, al moest hij Jacob daarvoor wel 9.000 Rijnse guldens betalen.

Op pelgrimstocht naar het Heilige Land

In 1450 vierde de katholieke kerk een Heilig Jaar. Vele pelgrims trokken naar Rome en naar het Heilige Land. Jan 1, hertog van Kleef, vertrok met een gevolg naar Jeruzalem. In Venetië voegden Jacob 1, heer van Horne, Diederik van Bronkhorst, heer van Gronsveld en Batenburg en Willem van Vlodrop, voogd van Roermond zich bij hem. Het gezelschap ging vanaf Venetië per schip naar Jaffa in het Heilige Land. De overtocht duurde een maand. Enkelen van hen, waaronder ook Jacob 1, werden in Jeruzalem tot ridder geslagen. In het Antwerps liedboek uit 1544 is een lied opgenomen, Van de drie lantsheeren, waarin deze reis wordt beschreven.

De eerste strofe luidt:

Met luste wille wi singhen
Schoon lief, al bi der hant
Van drie lantsheeren dinghen
Geboren al uut Nederlant:
Cleef, Hoorne ende Batenborch
Haer namen zyn wel becant
Met sangh willen wi se prisen
Gaen wandelen al doir dat lant.

Op de terugreis verliet Jacob in Ancona het gezelschap en ging naar Rome. Op 2 november arriveerde hij met de zijnen weer in Brussel.

Benoeming tot graaf

Jacob werd op 25 december 1450 in Neustad bij Wenen tot rijksgraaf verheven door koning Frederik 1V, die zelf twee jaar later tot keizer Frederik III gekozen zou worden. In de verheffingsakte staat te lezen:

‘Darumb so haben wir angesehen unnd eigentlich betrachter die getreuen unnd annemen diensten, die der EdellJacob Her zu Hurne, unser unnd des Reichs lieber getreuer unnd Seine vordern uns und unsern vorfarn am Reich unnd dem Heiligen Riche offt unnd digk unverdrossenlich haben gethan unnd der vorgenantt Jacob unnd seine erben furbass mer woll thum mugen unnd sullen in kunftigen Zeitten.

Und haben darumb mitt wolbedachten mutt, guttem Raath unser unnd desz Heiligen Reichs Fursten, Graven, Edlen unnd getreu­wen, dem vorgenantenJacoben die gnaedt gethan unn in unnd seine ehelige leibs erben mannes unnd frauwen geschlechts unnd alle ire nachkhommen, die von in eelich geborn werden zu Graven unnd Grefin desz heilligen Romischen Reichs erhebt unnd gemacht.’

Jacob en zijn nakomelingen kregen de titel graaf vanwege zijn verdiensten en die van zijn voorouders voor het Heilige Roomse Rijk. Door zijn titel kreeg hij zitting in de Duitse Rijksdag. De heerlijkheid Horn bleef een leen van de graven van Loon. De graventitel van de Horne was slechts aan de persoon gebonden, niet aan een leengoed. De benaming ‘graafschap’ Horn is dan ook niet helemaal juist, maar is niettemin in gebruik geraakt. In een oorkonde van 14 februari 1451, opgemaakt te Roermond, gebruikte Jacob Ivoor het eerst zijn nieuwe titel: ‘Wyr Jacob, greve van Hueme, here tzo Altenae ende zo Montigis’.

Een nieuw kasteel in Weert

In de periode 1450-1550 waren bronzen Weerter daalders in omloop die werden geslagen in het Muntgebouw. De voorzijde toont een afbeelding van de stadspatroon Sint Martinus en het omschrift ‘Sanctus Martinus Wierten’. De keerzijde draagt de wapens van Weert en van Horne.

Jacob liet in 1455 de bouwwerkzaamheden hervatten aan het stenen huis de Nijenborgh in Weert. (De start was als in 1432). Het werd een indrukwekkend kasteel met een voorburcht en een hoofdburcht. Het kasteel bood een goede verdediging, maar ook een meer comfortabele woning dan het kasteel van Horn.

Hoewel de bouw pas in 1461 was afgerond, verhuisde Jacob tussen 7 maart 1457 en 3 juli 1458 van Horn naar dit nieuwe kasteel. Hij bezat nu een burcht in Horn, een nieuw kasteel in Weert en een huis in Woudrichem.

Aanzien en macht

Jacob genoot veel aanzien in het prinsbisdom Luik. In 1455 behartigde hij daar de belangen van de ambachtsgilden en in 1456 was hij, bij de installatie van de nieuwe bisschop Lodewijk van Bourbon, een van de voorste edellieden bij de intocht.

Hij verwierf in 1457 van Jan van Haubourdin de helft van de heerlijke rechten van Cranen­donck en Eindhoven, waartoe behoren Maarhee­ze, Budel, Soerendonk en Woensel. In 1460 kocht Jacob de andere helft van Maria van Schoon­horst. Tot 1482 zouden deze rechten in het bezit blijven van de Hornes.

In 1458 erfde hij Bocholt van Otto van Born. Een belangrijke nalatenschap, omdat de Bocholterbeek voor de watervoorziening van Weert van groot belang was.

Een jaar later bemiddelde Jacob in de ruzie tussen hertog Arnold van Gelre en diens zoon Adolf, zonder resultaat overigens. In 1465 was hij, samen met graaf Vincent van Meurs, gezant vanuit Luik om te bemiddelen tussen Filips de Stoute van Bourgondië en de inwoners van Luik, die tegen hun bisschop Lodewijk van Bourbon waren opgestaan. Deze bemiddelingen leverden Jacob een zekere status op, en dat zal hij niet onbelangrijk hebben gevonden. Toch wordt van Jacob I gezegd dat ook hij, in 1464, gewelddaden pleegde tegen de abdij van Thorn onder de abdis Elsa van Buren.

In een oorkonde van 1467 schold Jacob het klooster ‘Sinte Elisabeten’ een aantal cijnsen kwijt onder voorwaarde dat vier keer per jaar alle aanwezige kanunniken een mis met nachtwake zouden celebreren voor de zielenrust van zijn overleden vrouw.

Laatste jaren

In 1471 besluit Jacob zijn functie neer te leggen. Hij treedt in bij de Franciscanen in Hulst en later in Weert. Hij wordt priester gewijd en draagt als pater Jacob in 1474 zijn eerste mis op.

‘Den alden here’, zoals hij voortaan wordt genoemd, wordt ook daarna nog vaak om raad en advies gevraagd. In 1486 verslaan de troepen van Robrecht van der Marck heer Jacob II van Horne en de zijnen bij de slag van Weert. De bevolking van Weert en Nederweert wordt een boete van 12.000 guldens opgelegd, al wordt dat bedrag later verlaagd. Dan is het pater Jacobus die mede advies geeft aan de bevolking om het gevraagde bedrag te betalen. Op 2 mei 1488 sterft Jacob I in het klooster van Weert en wordt daar ook begraven. De bevolking van Weert noemde hem ‘Jacob de Goede’.